campus LYCEUM
Voor jongeren met pit!
De school
mag geen voorbereiding zijn op het leven,
ze is het leven zelf.
J. Dewey
In onze eerste graad kan uw zoon/dochter terecht in de A-stroom of in onze B-klas. Naast het traditioneel onderwijs kan u daarenboven in onze A-stroom in de eerste graad van het secundair onderwijs kiezen voor de methodeklas: het Koetshuis
A-stroom
1ste leerjaar A
Wie een getuigschrift basisonderwijs heeft behaald, mag naar 1 A.
Alle leerlingen hebben er 32 lesuren per week. Daarvan behoren 28 uur tot de gemeenschappelijke vorming, dus iedereen heeft evenveel uren levensbeschouwing, wiskunde, Nederlands, Frans, geschiedenis, aardrijkskunde, ... per week. Voor de 4 optionele uren kunnen de leerlingen kiezen uit de vakken die de school aanbiedt in functie van haar profiel en de vervolgstudierichtingen.
Het Lyceum richt de volgende opties in:
Latijn
wetenschappelijk werk + sport
wetenschappelijk werk + technologische opvoeding
wetenschappelijk werk + muzikale opvoeding + plastische opvoeding
Wie slaagt in het eerste leerjaar A mag overgaan naar het tweede leerjaar A of naar het Beroepsvoorbereidend leerjaar
2de leerjaar A
Ook in het tweede leerjaar A hebben alle leerlingen 32 lesuren per week. De gemeenschappelijke vorming omvat nu nog 2 26 uur per week en daar komen 6 uur basisopties bij. Het Lyceum kiest in functie van de doorstroming naar de tweede en de derde graad voor de volgende opties:
Moderne wetenschappen
B-stroom
1ste leerjaar B
Het eerste leerjaar B is bestemd voor wie geen getuigschrift lager onderwijs heeft behaald of voor wie moeilijk studeert en daarom wil doorstromen naar een studierichting met minder uren theoretische vakken en meer uren praktijk.Ook in de B-klas hebben alle leerlingen 32 lesuren per week. Onze school kiest ervoor om in1B naast wiskunde, Nederlands en Frans het vak Project Algemene Vakken in te voeren. Dit creëert de mogelijkheid om projectmatig en gedifferentieerder te werken; dus meer in functie van de individuele noden van elk kind.Wie slaagt in het eerste leerjaar B, mag overgaan naarhet tweede beroepsvoorbereidend leerjaar of het eerste leerjaar A (uitzonderlijk)
2de leerjaar B of BVL
In het tweede leerjaar B hebben alle leerlingen 32 lesuren per week. Het Lyceum kiest in 2B, het Beroepsvoorbereidend leerjaar, voor het beroepenveld decoratie gecombineerd met kantoor-verkoop.
Onze leerlingen krijgen naast wiskunde, Nederlands en Frans in 2BVL nog steeds het vak Project Algemene Vakken. Daarbij komen echter lessen plastische en decoratieve technieken, handel en dactylografie. Zo kunnen de leerlingen zich al wat voorbereiden op een derde jaar in onze afdeling schilderwerk en decoratie. Bevalt die keuze hen niet, dan kunnen zij nog altijd overstappen naar een andere BSO-studierichting buiten de school.
1ste graad FREINET
U hebt, naast de eerder vernoemde opties in de A-stroom, ook de mogelijkheid om methodeonderwijs te kiezen voor uw zoon/dochter.
In onze eerste graad Freinet, vertrekken we vanuit de interesses en ervaringen van de leerlingen om hen zoveel mogelijk te laten leren op een zo natuurlijk mogelijke manier. Uw zoon/dochter leert door zelf, maar begeleid te experimenteren en te ontdekken. Via kringgesprekken, vrije teksten, coöperatief leren, projectwerk dragen alle betrokkenen - leerlingen, leerkrachten, ouders - samen de verantwoordelijkheid voor het leerproces. In de Freinetklas, die in het Koetshuis is ondergebracht, behandelen de kernleerkrachten dezelfde leerstof als in de andere A-klassen, elke leerling moet immers dezelfde eindtermen bereiken, het lesgebeuren wordt alleen anders ingericht.
Uw zoon/dochter leert hier via een ander traject en andere werk- en lesvormen.
Wat zijn de algemene uitgangspunten?
het is totaliteitsonderwijs waarbij de leraar kiest voor een projectmatige aanpak,
De toekomst kun je het best voorspellen als je er zelf vorm aan geeft.
Alan Kay
Vanaf de tweede graad zal uw zoon/dochter voor de keuze staan: ligt zijn of haar toekomst in het ASO, in het TSO, het KSO of het BSO? Het is van belang daar goed over na te denken en zeker rekening te houden met het advies van de vakleerkrachten en de klassenraad. In de tweede graad legt uw zoon/dochter immers, mits een
verantwoorde keuze, de basis voor de meer geprofileerde studierichtingen van de derde graad.
Welke studierichtingen kan uw zoon/dochter in het Lyceum kiezen?
Wil uw zoon/dochter een algemene culturele vorming verwerven, als voorbereiding op het hoger onderwijs aan een hogeschool of universiteit, dan is een ASO-studierichting de beste keuze. Deze studierichtingen hebben een gemeenschappelijke basis en verschillen slechts voor een deel van de lesuren van elkaar. Ze leggen verschillende accenten, bijvoorbeeld op wiskunde, economie of taal, maar zijn hoofdzakelijk gericht op een algemene theoretisch-wetenschappelijke en taalkundige vorming, die in eerste instantie voorbereidt op hogere studies.
Een goede studiehouding en -motivatie zijn in dit geval dus erg belangrijk, want de leerstof is weinig praktisch en eerder abstract.
In onze ASO-klassen kan hij/zij terecht in de meest gangbare studierichtingen: Latijn, met wiskunde of met talen, economie, wetenschappen of humane wetenschappen.
Is uw zoon/dochter erg creatief en op zoek naar een eerder artistieke carrière? Dan is onze KSO-afdeling Beeldende en architecturale kunsten zeker een goede optie. Als hij/zij in het tweede leerjaar van de eerste graad al koos voor Artistieke vorming dan heeft hij/zij een stapje voor. Instromen vanuit om het even welk tweede leerjaar vormt echter geen probleem.
Belangrijk is dat uw zoon/dochter openstaat voor zowel algemeen vormende als voor expressieve vakken. Wie rationeel is maar ook poëtisch, intellectueel en emotioneel, technisch en expressief, praktisch, maar ook creatief omgaat met de wereld, past als leerling in onze Beeldende KSO-studierichting.
De specifieke vakken in deze KSO-studierichting zijn:
Werkt uw zoon/dochter liever met de handen en heeft hij/zij weinig zin om de leerstof van algemene vakken in te studeren? Dan is onze BSO-afdeling Schilderwerk en decoratie misschien een goede keuze? In de tweede graad van die studierichting krijgt uw kind via de technische vakken technologie, kleuren- en stijlleer en decoratieve technieken en de vele uren praktijk de basis van het schildersvak onder de knie. Aandacht voor het esthetische en het decoratieve, voor kleuren en vormen en voldoende communicatievaardig zijn, zijn pluspunten voor wie voor deze studierichting kiest.
We leren niet voor de school, maar voor het leven.
Seneca
In de tweede graad van zowel het ASO, het KSO als het BSO legt uw zoon/dochter de basis voor de meer specifieke studierichtingen van de derde graad. Vanaf dan wordt het belang van de doorstromingsmogelijkheden van een bepaalde studierichting na het secundair onderwijs groter. Bij de aanvang van de derde graad staat de keuze immers meer in functie van de toekomstmogelijkheden en -perspectieven van uw zoon/dochter op hoger onderwijs of op de arbeidsmarkt.
Door de complexiteit en de constante veranderingen van het studieaanbod op hogescholen en universiteiten enerzijds en de evolutie op de arbeidsmarkt anderzijds is het natuurlijk onmogelijk om bepaalde studierichtingen automatisch aan bepaalde vervolgstudies of beroepen te koppelen. Met hetzelfde secundair diploma komt uw zoon/dochter niet automatisch in dezelfde richting in het hoger onderwijs terecht als zijn/haar klasgenoot. Hetzelfde diploma leidt ook niet automatisch tot hetzelfde beroep. Toch is het nuttig bij de keuze van een studierichting in de derde graad in grote trekken de eventuele vervolgstudie- of beroepskansen te kennen. Alle mogelijkheden opsommen is hier niet haalbaar. Om u toch wat wegwijs te maken in de accenten die in de verschillende studierichtingen worden gelegd, geven we u een woordje uitleg bij iedere richtingengroep. Wil u meer en gerichter informatie dan kan u daarvoor zeker terecht bij onze Soho-coördinator (Soho staat voor van Secundair onderwijs naar hoger onderwijs) of bij het CLB (Centrum voor Leerlingenbegeleiding).
Het ASO-aanbod
LATIJN
gecombineerd met moderne talen, wiskunde of wetenschappen
De optie Latijn die uw zoon/dochter een behoorlijk taalinzicht en interesse voor de wortels van de Europese beschaving aanleert, bereidt zowel voor op opleidingen met wetenschappelijke inslag, als op humane richtingen en afdelingen met taal.
Toekomstmogelijkheden
Taalkundige en juridisch-sociale studies aan de universiteit, dus een academische bachelor en master of aan de hogeschool een professionele bachelor, zijn hier aangewezen.
Bijna alle specialisaties binnen de bachelor- en masteropleidingen waarin het accent op wiskunde en/of wetenschappen ligt zijn hier mogelijk als vervolgopleiding.
ECONOMIE
gecombineerd met moderne talen of wiskunde
In een samenleving is de economische component niet weg te denken: het gezin, de handel, het bankwezen, de overheid, het bedrijfsleven, zowel nationaal als internationaal. Het aantal mogelijke vervolgstudies op hogeschoolniveau en op universitair niveau is groot en erg divers, ook wat niveau en duur betreft.
Verdere studies in talen, economie en boekhouden liggen voor de hand, maar ook rechten, verder studeren in de sociale sector en in het onderwijs zijn mogelijk, zowel in bachelor- als in masteropleidingen.
De aangewezen voorbereiding voor wie wil verder studeren in economische studierichtingen, zowel op bachelor- als op masterniveau en vooral in opleidingen met sterke wiskundige accenten
WETENSCHAPPEN
gecombineerd met moderne talen, wiskunde of sport.
Deze studierichting wordt gekenmerkt door een groter aanbod aan uren van de wetenschappelijke vakken. De nadruk ligt er, naast een minimumpakket van 5 uur wiskunde, op biologie, fysica en chemie.
Als uw zoon/dochter de combinatie met sport overweegt, dan is naast zijn/haar aanleg voor wetenschappen het natuurlijk ook erg belangrijk
dat hij/zij een goede fysieke conditie heeft en bereid is zich voor alle aangeboden sportdisciplines in te spannen. Hij/zij moet zeker extra inspanningen willen leveren voor disciplines waarvoor hij/zij iets minder aanleg heeft.
Toekomstmogelijkheden:
Omdat deze studierichting uw zoon/dochter een taalkundige en literaire vorming biedt, samen met inzicht in de wetenschappen, kiest uw zoon/dochter bij voorkeur een vervolgstudie waarin wiskunde niet bepalend maar ondersteunend is, zoals lerarenopleiding, vertaler, biologie, verpleegkunde, kinesitherapie
De ideale voorbereiding voor uw zoon/dochter op academische bachelor- en masteropleidingen met een sterk exact wetenschappelijk profiel zoals handelsingenieur, burgerlijk ingenieur, biomedische wetenschappen, bio-ingenieur,
arts, ... Eigenlijk blijven, afhankelijk van zijn/haar interesse, studieattitude en -motivatie en aanleg, bijna alle specialisaties open.
Dit is een goede voorbereiding op zowel professionele als academische opleidingen waarin het accent op wetenschappen en/of sport ligt. Biotechniek, onderwijs en gezondheidszorg zijn opties, maar ook biomedische wetenschappen, farmaceutische wetenschappen, lichamelijke opvoeding, revalidatiewetenschappen en kinesitherapie, .
HUMANE WETENSCHAPPEN
De specifieke vakken in de humane wetenschappen, zijn cultuur- en gedragswetenschappen.
Tijdens de lessen cultuurwetenschappen ontwikkelt uw zoon/dochter een visie op de samenhang van cultuurverschijnselen en de samenleving. Hij/zij bestudeert cultuurfenomenen via verklaringsmodellen uit het recht, de filosofie, economie, ethiek, kunst, media. In het vak gedragswetenschappen leert uw zoon/dochter hoe een individu in een groep, in een samenleving functioneert en hoe het individu de samenleving beïnvloedt. Dat doethij/zij via verklaringsmodellen uit de antropologie, de psychologie, de pedagogiek en de sociologie.
Vanuit de studierichting humane wetenschappen, kan uw zoon/dochter doorstromen in het pedagogisch, sociaal, psychologisch onderwijs op universitair of op hogeschoolniveau. We denken o.a. aan communicatiewetenschappen, filosofie, geschiedenis, journalistiek, kunstwetenschappen, lerarenopleiding, paramedisch hoger onderwijs, pedagogie, politieke wetenschappen, psychologie, sociale wetenschappen, rechten, ...
Het KSO-aanbod
In de derde graad KSO dient uw zoon/dochter een bewuste en oordeelkundige keuze te maken tussen architecturale en binnenhuiskunst of toegepaste beeldende kunsten.
Verplichte Kledij voor de sportlessen
(2 shorts, 2 t-shirts, 1 trainingspak,1 trui dit zit verrekend in
het schoolgeld)
Aan te raden:
Met eigen fiets naar school komen: zo kan je meteen naar huis na sportactiviteiten op verplaatsing
Tweede graad
Beeldende en architecturale kunsten
Derde graad
In de derde graad KSO dient uw zoon/dochter een bewuste en oordeelkundige keuze te maken tussen architecturale en binnenhuiskunst of toegepaste beeldende kunsten
ARCHITECTURALE EN BINNENHUISKUNST
Naast de algemeen vormende vakken, wordt het leeuwendeel van de studietijd ingevuld met het vak Binnenhuiskunst/architectuur/bouwkunst. Dat houdt in dat uw zoon/dochter ontwerpmethodes zal aanleren, zal leren beeldend werken en vormgeven op twee- en driedimensionaal vlak Kleur, vorm, compositie en materie worden belangrijke begrippen voor hem/haar. De wisselwerking tussen architectuur, interieur, design, omgevingsarchitectuur en cultuur staan in deze studierichting centraal.
Uw zoon/dochter zal leren omgaan met constructie, materiaal, ergonomie, technologie, maar ook projectietekenen, schetsen, perspectieftekenen en representatietechnieken, computertoepassingen, prototypes, en maquettebouw komen zeker aan bod.
Het merendeel van onze KSO-leerlingen studeert verder. We sommen enkele vervolgstudies op: architectuur, tuinarchitectuur, interieurarchitectuur, interieurvormgever, decoratie, decor- en standenbouw, leraar plastische opvoeding, productontwikkeling, stedenbouw
TOEGEPASTE BEELDENDE KUNSTEN
In deze studierichting zal uw zoon/dochter de beeldtaal leren interpreteren tot er een eigen, persoonlijk idioom ontstaat. Via een selectie van beeldende middelen, het toepassen van gepaste technieken en de keuze van de juiste materialen ontstaat een kunstproduct met een inhoud of boodschap. De artistieke expressie, vormgeving krijgt een praktisch nut. Typografie, kalligrafie, grafische vormgeving, fotografie, video zullen voor uw zoon/dochter belangrijke expressiemiddelen zijn.
Ook vanuit deze studierichting heeft uw zoon/dochter heel wat perspectieven om verder te studeren op verschillende niveaus: kunstwetenschappen en archeologie, animatie, fotografie, film, grafische vormgeving, reclamevormgeving, modeontwerpen, plastische kunsten, leraar plastische opvoeding ,
B- K web.pdf
BSO-aanbod SCHILDERWERK & DECORATIE
De verhoogde belangstelling in harmonie, esthetiek in interieur en exterieur enerzijds en de snelle, gespecialiseerde evolutie in soorten producten en technieken anderzijds, hebben tot gevolg dat er een grote vraag is naar goed opgeleide schilders en decorateurs. De vraag is echter groter dan het aanbod. Dat betekent dat, als uw zoon/dochter voor deze beroepsopleiding kiest, hij/zij zeker is van werk. Het is immers een knelpuntberoep geworden.
In de privésector kan hij/zij huisschilder worden en in bedrijven schilder-decorateur. Ook de industrie biedt werkgelegenheid als colorist, technisch adviseur of technisch vertegenwoordiger. In de standen- en decorbouw tewerkgesteld worden is een andere mogelijkheid. Wil uw zoon/dochter zich echter specialiseren, dan kan dat in een 7de naamloos jaar of in een 7de specialisatiejaar Decoratie en restauratie schilderwerk. Onder bepaalde voorwaarden behaalt hij/zij dan ook een diploma secundair onderwijs in plaats van een getuigschrift.
COMPANY
Welkom in Het Koetshuis. Langs deze weg willen wij u meer informatie verschaffen over onze eerste en tweede graad freinetonderwijs. Naast een brok achtergrondinformatie, vindt u hier uitleg over de keuze tussen Latijn en seminarie, de ouderparticipatie, de klasafspraken en de door ons gebruikte freinettechnieken.
1. Freinetonderwijs
Bron: pedagogische begeleidingsdienst
Freinetonderwijs is leerlinggericht. De leerkracht biedt een organisatie aan die kinderen kansen biedt om zich met succes en plezier te ontplooien tot mondige en verantwoordelijke mensen van de samenleving.
De leerkracht toont, biedt aan, neemt leiding waar dit nodig is, maar geeft kansen aan de kinderen om zelf actief te leren en samen te werken. Expressie, communicatie, creatie en zelf vragen kunnen stellen zijn de basisbehoeften van elk individu die hen in staat stellen te ontwikkelen tot een waardevolle persoonlijkheid. Deze behoeften liggen aan de basis, of het nu binnen of buiten de school gebeurt. De Freinetbeweging heeft hulpmiddelen ontwikkeld om vanuit deze basisbehoeften te komen tot effectief leren: kringgesprekken, vrije teksten, klaskrant, correspondentie met communicatiemiddelen die in onze samenleving aanwezig zijn, eigen en creatief onderzoek in kleine projectgroepen, omgaan met veel documentatiemateriaal,
Kinderen leren gaandeweg om zelfstandiger en vanuit eigen keuzes, te leren. Dit gaat niet vanzelf, maar verloopt doorheen een veelheid aan activiteiten die de leerkracht aanbiedt: een leerproces op maat van elke leerling, eigen onderzoekswerk, eigen creatief werk, allerhande werkplannen, van afspraken die in de klas gemaakt worden. De leerkracht volgt de leerlingen hierin van zeer nabij, helpt, geeft kansen, maar stelt indien nodig ook grenzen. Kinderen zijn mee verantwoordelijk voor het leven in de klasgroep. Ze krijgen taken toebedeeld zodat de klas samen beheerd wordt. De leerlingen werken ook zeer veel in groepjes samen. Op hun niveau zijn ze mee verantwoordelijk voor het goede en aangename verloop van het leven, het leren en werken in de klas. De klas is een leefruimte met eigen regels. Deze regels zijn tot stand gekomen in het groepsleven zelf: het zijn eigen afspraken die de groep gemaakt heeft. De leerkracht is een lid van deze groep. Samen bepalen ze de rechten en plichten waar elk lid van de groep zich aan te houden heeft. Deze regels geven aan wat kinderen wel en niet kunnen en mogen doen. Maar ze beschermen ook iedereen zodat elk lid van de groep als individu en als lid van de groep aan zijn trekken zou komen.
Via de klassenraad leren ze conflicten bij leggen. Aan de hand van klassikale en andere planningsmomenten leren ze zicht krijgen op hun eigen bijdragen aan het werk van de groep, van de klas. De Freinetklas houdt verregaand rekening met het eigen leerritme en de eigen leerstijl van elk kind. Individuele en klassikale momenten sluiten nauw op elkaar aan. Tijdens periodes van zelfstandig inoefenen krijgen kinderen kansen om met dat materiaal te werken waar ze zich goed bij voelen. Ook hier ondersteunt de leerkracht: hij observeert, legt uit, geeft richtlijnen, stuurt sommige kinderen bij De leerkracht garandeert dat alle leerlingen binnen hun persoonlijke mogelijkheden de noodzakelijke leerstof doorlopen hebben. Het kind brengt zijn belevingswereld mee naar school: zijn ervaringen, kennis en kunde, maar ook zijn vragen, nieuwsgierigheden en onzekerheden. Het zoekt samen met zijn klasgenoten naar antwoorden op die vragen. De school stelt daarvoor een veelheid aan informatie en documentatie en onderzoeksmogelijkheden ter beschikking. Maar ze richt zich ook uitdrukkelijk naar het leven buiten de eigen klas. Via klascorrespondentie is er contact met een klas uit een andere regio, met andere gewoontes, andere vragen In hun verhalen bij de praatronde vertellen ze honderduit over wat hen overkomen is, wat ze zich afvragen. In hun vrije teksten schrijven ze wat ze kwijt willen over zichzelf, over anderen en over hun fantasieën.
2. Wie was Célestin Freinet?
Freinet (1896-1966) begint zijn onderwijzers-loopbaan in 1920 in een tweemanschool in Bar-sur-Loup, een klein dorpje in de Franse Alpen. De traditionele manier van lesgeven en orde houden spreekt hem echter in het geheel niet aan. Daarbij komt dat hij ook door een slechte longfunctie, gevolg van een opgelopen verwonding in de eerste wereldoorlog, gedwongen is naar een andere manier van lesgeven uit te zien, dan het gebruikelijk doceren. Hij begint zijn leerlingen mee de natuur in te nemen en bezoekt ambachtslieden in het dorp. Hierbij wordt hij getroffen door de grote belangstelling van de kinderen. Deze levende belangstelling staat in schril contrast met hun apathie in de klas. Vanaf dat moment laat Freinet zich ook in zijn onderwijs in de klas steeds meer leiden door de eigen ervaring en beleving van de kinderen. De spontane verhalen van de kinderen vinden hun neerslag in kleine opstelletjes die weer het materiaal vormen voor het lees- en schrijfonderwijs. Wanneer Freinet vervolgens op het idee komt deze verhaaltjes door de kinderen zelf in de school te laten drukken en daarbij merkt hoezeer dit bijdraagt tot de motivatie van de kinderen is hiermee de techniek van de vrije tekst voorgoed ontdekt. Door publicaties van Freinet gaan ook andere onderwijzers het proberen met de drukpers op school. Deze verspreiding leidt weer tot stimulerende en blikverruimende correspondentie tussen klassen uit verschillende delen in Frankrijk.
De toenemende behoefte aan drukpersen, papier en andere leermiddelen voert in 1924 tot de oprichting van een eigen coöperatie, de C.E.L. (Cooperative de l' Enseignement Laïc). De onderwijzers zijn hiervan niet alleen de gebruikers, maar tevens de eigenaars en de beleidsvoerders. Er ontstaat een actieve vernieuwingsbeweging met een duidelijke links-socialistische signatuur, uitgesproken gericht op het onderwijs voor het volkskind en sterk praktisch gericht op ideeën en technieken die ook voor de geïsoleerde werkende onderwijzer uitvoerbaar en betaalbaar zijn. Zo ontwikkelt zich de in de Freinetpedagogiek leidende idee van de klas als een zichzelf besturende coöperatieve werkgemeenschap.
In 1928 wordt hij overgeplaatst naar Saint-Paul. Hij komt terecht in een school in een arm deel van het centrum. Het zijn vooral kinderen van arme pachters die de school bezoeken. De vrijmoedigheid waarmee de 'schooiertjes van de volksschool' het wagen rijke toeristen met hun enquêtes lastig te vallen, roept bij de gegoede burgerij weerstanden op en leidt tot een hetze tegen Freinet met beschuldigingen van spionage voor Rusland. Het conflict eindigt met een remise, waarbij Freinet in 1933 gedwongen wordt een wachtgeldregeling te aanvaarden. Naast een pedagogisch militantisme wordt nu ook een strijdbaar socialisme hoe langer hoe meer kenmerkend voor Freinet en de beweging.
Freinet blijft niet bij de pakken zitten en begint in Vence met zijn vrouw een eigen school. De beweging kan zich enkele jaren rustig ontwikkelen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt hij echter op basis van vroegere beschuldigingen geïnterneerd. Deze tijd gebruikt hij om zich theoretisch te verdiepen en twee boeken te schrijven.
Tot aan zijn dood blijft Freinet het energieke middelpunt van de beweging die inmiddels is uitgegroeid tot de belangrijkste en meest actieve beweging voor onderwijsvernieuwing in Frankrijk.
3. De invarianten van Célestin Freinet?
De uitgangspunten voor elke Freinetschool zijn hetzelfde.Elke school vult dit op haar manier en met haar mogelijkheden in. Iedere school is immers anders, afhankelijk van de omgeving waarin ze gelegen is. De gezinnen die voor de school kiezen, de kwaliteiten van het schoolteam, de betrokkenheid van de ouders enz
HOOFDSTUK 1: DE AARD VAN HET KIND
1. Kind en volwassene zijn gelijk van aard. Enerzijds is het kind onwetend, onervaren en organisch zwakker, anderzijds beschikt het over een enorme levenskracht, maar leeft precies volgens dezelfde beginselen als de volwassene. Tussen beiden is geen verschil in natuur, alleen een verschil in graad.
2. Groter zijn betekent niet noodzakelijk superieur zijn. Leef tussen je leerlingen. Zo kom je direct tot open opvoeding en sta je direct op gelijk niveau met de kinderen. Je ziet ze niet meer met de ogen van een pedagoog of van een baas, maar zoals een gewoon mens kinderen ziet.
3. Het gedrag van een kind op school toont de functie van zijn gestel, van zijn fysiologische en organische toestand. Vergeet niet dat ook jij maar half werk levert als je hoofd- of kiespijn hebt, als je maag slecht verteert of als je hongerig bent. Span je in om de psychologische, psychische of sociale oorzaken van zijn gedrag te achterhalen.
HOOFDSTUK 2: DE REACTIES VAN HET KIND.
4. Autoritaire bevelen wekken weerstand op. Niemand werkt graag op bevel. Die weerstand is een fysiologische en psychologische reflex. Probeer eerder te verleiden dan te dwingen.
5. Niemand staat graag in het gelid. De gevaarlijke verplichtingen zijn die welke de kinderen als zinloos aanvoelen. Bij werk of spel in groep, ook in de sport, wordt de vaste opstelling als noodzakelijk aangevoeld en schept ze geen problemen.
6. Niemand houdt ervan gedwongen te worden. Niet het werk, maar het bevel wekt weerstand op. Men verleert het werken, de angst groeit, er ontstaat afkeer.
7. Zelfgekozen bezigheden geven meer voldoening.De ambachtsman verkiest zijn vrij georganiseerde bezigheid boven het opgelegde fabrieksritme, zelfs wanneer hij op die manier harder en langer moet werken.
8. Niemand werkt graag zonder te weten waartoe zijn inspanning dient.
We moeten het werk motiveren. Doen ver-langen naar groei en kennis. Het kind schrijft met plezier een vrije tekst voor de klaskrant of een tekst voor zijn correspondent, of wanneer het drukt, schildert, wanneer het weten-schappelijke proefjes doet of een uiteenzetting voorbereidt.
9. Cijfers en klasseringen zijn fout. In de praktijk beperkt men zich tot wat meetbaar is. Een oefening, een som, een vraagstuk, een overhoring kan je betrekkelijk gemakkelijk beoordelen. Maar het begrijpen, de functie van de intelligentie, de creativiteit, het wetenschappelijke, de vindingrijkheid, de zin voor het artistieke, het historische, kan je niet afmeten en -wegen.
10. Geen schools gedreun meer. Breng opdrachten naar voor waar we allemaal belangstelling voor kunnen hebben, waarvoor leerlingen en leerkrachten zich samen willen inzetten, ook buiten de officiële schooltijd, tijdens de pauze, zonder op de klok te letten.
10 bis. Ieder mens wil slagen. De mislukking remt en breekt het enthousiasme. Probeer je kinderen altijd te doen slagen. Pas de pedagogie toe die het de kinderen mogelijk maakt te slagen; laat ze taken en vrije teksten aanbieden waar ze met liefde aan gewerkt hebben, schilderijen en kleiwerkjes maken die meesterwerken zijn, uiteenzettingen geven die door het publiek met handgeklap worden beloond.
10 ter. Het werk, niet het spel, is de natuurlijke bezigheid van een kind.
HOOFDSTUK 3:
OPVOEDENDE TECHNIEKEN.
11. Het experimenteel zoeken is de normale, natuurlijke en universele weg tot verwerving.Uitleg leidt tot een oppervlakkige, formele kennisverwerving die nooit dieper in het leven of in de omgeving van het individu ingrijpt; het experimenteel zoeken is absoluut noodzakelijk.
12.Het geheugen heeft slechts waarde wanneer het experimenteel zoeken dient. Levend onderwijs is het geheugen slecht een technisch hulpmiddel.
13. Regels en wetten moeten het resultaat zijn van ervaring, waarneming en onderzoek.Het verwerven van kennis gebeurt door de praktijk.
14. Intelligentie is geen gave die alleen op eigen kracht teert. Intelligentie betekent: ontvankelijk zijn voor ervaringen.
15. De traditionele school cultiveert een abstracte vorm van intelligentie. Er bestaan nog andere vormen van intelligentie, verschillend naargelang het uitgangspunt van het experimenteel zoeken dat als basis genomen wordt:
de intelligentie van de handen, die voortvloeit uit de kwaliteiten waarmee men vat probeert te krijgen op de omgeving, om die om te vormen en te beheersen;
de kunstintelligentie;
de intelligentie van het gezonde verstand;
de speculatieve intelligentie, het genie van wetenschappelijke vorsers en grootmeesters van handel en industrie;
de politieke en sociale intelligentie.
16. Een kind luistert niet graag naar "ex cathedra"-lessen. Wanneer het kind van een eigen activiteit vertrekt, van een proefneming, een onderzoek, wat lectuur, dat het begint met gegevens uit de documentatiemappen te halen, en ze te ordenen, zal het vanzelf vragen stellen over punten die hem boeien of nieuwsgierig maken. Geef dan het antwoord op zijn vragen: je komt tot wat we noemen de "les a posteriori", een antwoord op een echte vraag, niet een verklaring zonder probleem.
17. Van levend, functioneel werk wordt een kind niet moe. Wanneer een kind bezig is met een stuk werk dat aan zijn behoefte beantwoordt, wordt het niet moe.
18. Niemand - kind noch volwassene - houdt van controle en sancties, die steeds kwetsen.Een moeder straft haar kind niet omdat het een woord verkeerd uitspreekt of omdat het valt bij het leren lopen. Ze weet vanzelf dat het kind van nature zijn best doet om te slagen. Het kind niet bestraffen, maar het helpen slagen, helpen het tekort in te halen, de moeilijkheid te overwinnen.
19. Cijfers en klasseringen zijn fout. In de praktijk beperkt men zich tot wat meetbaar is. Een oefening, een som, een vraagstuk, een overhoring kan je betrekkelijk gemakkelijk beoordelen. Maar het begrijpen, de functie van de intelligentie, de creativiteit, het wetenschappelijke, de vindingrijkheid, de zin voor het artistieke, het historische, kan je niet afmeten en -wegen.
20. Praat zo weinig mogelijk. Stromen uitleg dienen tot niets. Hoe minder we praten, hoe meer we doen. Wie heel aandachtig werkt, praat niet. We vormen onszelf niet door de uitleg en de bewijsvoeringen van anderen, maar door de eigen actie en door zelf te experimenteren.
21. Kinderen houden niet van kuddewerk. Ze verkiezen individueel werk, of groepswerk. Dit is een veroordeling van de traditionele schoolse praktijken, waarbij alle kinderen op hetzelfde ogenblik met hetzelfde bezig zijn. Of je ze nu per leeftijd of per afdeling samen plaatst, nooit zullen ze dezelfde behoeften of dezelfde aanleg hebben. In een groep werken of coöperatief werken, betekent niet noodzakelijk dat ieder lid van de groep hetzelfde werk doet. Het individu moet integendeel zoveel mogelijk zijn persoonlijkheid bewaren en ontwikkelen, maar die ten dienste stellen van de gemeenschap.
22. Orde en discipline zijn noodzakelijk in de klas. Een klas die op hetzelfde moment met verschillend werk bezig is, heeft veel meer behoefte aan orde en gezag. De kinderen zullen zichzelf aan discipline onderwerpen omdat ze WILLEN werken en vooruitkomen volgens een regeling die aangepast is aan hun aard en aan hun werk.
23. Straffen zijn altijd fout. Er is altijd vernedering, zelfs als het kind die vernedering verbergt achter trots of pocherij. Het is noodzakelijk de kinderen bij het werk van de klas te betrekken, hun interesses een kans te geven, hun scheppende behoeften te ontwikkelen en sancties overbodig te maken.
24. Het nieuwe schoolleven veronderstelt een schoolcoöperatie. De muurkrant en de wekelijkse klasraad (een algemene vergadering) zijn de basistechnieken van een dergelijke samenwerking. De leerkracht moet zich integreren in de samenwerking,
25. Overbevolkte klassen zijn altijd pedagogisch fout. Wel van belang daarentegen is de vorming in het kind van de mens van morgen. De nodige kwaliteiten hiervoor kan men niet verwerven of ontwikkelen in een anonieme groep. Ze kunnen zich slechts ontwikkelen wanneer er werkelijk gelegenheid is tot werken, tot individueel en sociaal optreden.
26. Grote schoolcomplexen leiden tot het anoniem naast elkaar leven van leerkrachten en leerlingen.Belangrijk zijn kleine scholen waar de mensen elkaar kunnen leren kennen, waar de leerkrachten als vrienden met elkaar praten en de kinderen volgen in hun ontwikkeling.
27. De democratie van morgen wordt voorbereid door de democratie op school.Zo kan de Moderne School door haar democratisch karakter en dus door haar voorbeeld, haar optreden en haar invloed de kinderen op de echte democratie voorbereiden.
28. Men kan slechts opvoeden in waardigheid. Dat de leerkrachten de leerlingen respecteren en de leerlingen eerbied hebben voor hun leerkrachten
29. De pedagogische vernieuwing is een element van de maatschappijvernieuwing. De reactie ertegen is evenzeer een element van sociale en politieke reactie en is niet te vermijden.
30. Om vooruit te komen, moet men geloven in het leven, in een toekomst voor iedereen
Koetshuis: Freinettechnieken
Binnen de freinetwerking van onze school staat actief leren centraal. Zonder onze leerplandoelstellingen uit het oog te verliezen, proberen wij zo nauw mogelijk aan te sluiten bij de interesses en de leefwereld van onze leerlingen. Dit betekent dat niet zij, maar wij als groep, beslissen over de concrete invulling van de leerinhouden. Hierbij maken we gebruik van verschillende technieken.
Technieken:
TAsk BAsed SChool Organisation (TABASCO) for the Acquisition of Language
Bij de vreemde talen worden een handboek en een werkboek enkel als ondersteuning gebruikt bij de taakgerichte opdrachten.
De lessen Engels en Frans vertrekken steeds vanuit het moedertaalprincipe. De leerlingen krijgen een eenvoudige of complexere taak voorgeschoteld en worden hierbij verbeterd zonder hen steeds op hun fouten te wijzen. Zo groeit het zelfvertrouwen om een vreemde taal te lezen, te schrijven en te spreken. Leerlingen spiegelen zich immers aan het goede. Hierdoor hebben ze minder last van spreekangst dan wanneer de leerkracht hen steeds zou zeggen wat ze fout doen.
Naar de nodige woordenschat gaan de leerlingen zelf op zoek. Zij gebruiken hiervoor woordenboeken en hun handboek. In de loop van een tabascoproject worden er inoefenmomenten voorzien. Anders dan bij het gebruik van een handboek, vormt de woordenschat bij een tabascoproject geen afzonderlijk geheel, maar wordt zij geïntegreerd in de totaliteit van het project. De leerlingen leren bijvoorbeeld niet alleen de kleding in het Engels, ze moeten de benamingen ook echt gebruiken wanneer ze hun Fashion Magazine schrijven en hun benodigdhedenlijst voor hun GWP aanleggen. Op die manier leren ze niet alleen grondiger, maar wordt de taal meteen ook buiten de context van de klas gebruikt.
De grammatica wordt functioneel aangebracht. Dit betekent dat de leerlingen stap voor stap de grammatica aanleren die ze in functie van het project nodig hebben. De grammatica wordt dan ook toegepast in een complexere schrijfopdracht en een spreekopdracht. Het verschil tussen de Simple Present en de Present Continuous wordt bijvoorbeeld ingeoefend met behulp van een levensgrote Wie is het? De leerlingen moeten vragen stellen aan de leerkracht en de leerkracht beantwoordt de vragen niet alleen, maar vervangt een foutieve vraag ook door de juiste. Op het einde van het spel stellen alle leerlingen correcte vragen. Nadien is er een inoefenmoment waarbij de leerlingen in groep de grammaticale regels moeten afleiden en oefeningen maken. De groepjes worden steeds kleiner zodat de laatste oefening individueel gemaakt wordt en de leerling zelf kan controleren of hij / zij de leerstof onder de knie heeft.
Een tabascoproject groeit vaak uit een projectweek of leidt een projectweek in. De leerkracht treedt op als coach en probeert de zelfsturing bij de leerlingen aan te moedigen.
Zowel tijdens het toonmoment als tijdens het bezoek van een groep internationale studenten organiseerden onze leerlingen zelf enkele "mini-TABASCO's".
Zo leerden ze een groep Europese studenten hoe ze zich in het Nederlands kunnen voorstellen. Opvallend daarbij was dat onze leerlingen de typische foutjes die zij maken bij het aanleren van een vreemde taal, nu zelf opmerkten bij de studenten. Afsluiten deden de studenten freinetgewijs in de praathoek en iedereen stond versteld van het resultaat en de vergaarde kennis. Een leerrijke en leuke ervaring voor beide groepen!
Mechelen meets Etterbeek
Vrijdag 27 januari was het eindelijk zover! Na wat heen en weer bloggen op het blog: www.bloggen.be/kablog bracht onze correspondentieklas uit Etterbeek ons, de leerlingen van 3 en 4 Freinet, een bezoekje. Eindelijk zouden we elkaar ontmoeten.
Het opzet van deze ontmoeting was de Brusselse leerlingen beter leren kennen en onderdompelen in de freinetmethode. We startten de dag in de praathoek waar we eerst in samenspraak dagafspraken maakten en ons vervolgens voorstelden met behulp van een voorwerp dat niet bij ons past.
Na de speeltijd hadden Steven en Evi een workshop in petto. We luisterden naar muziek en riepen emoties op die we achtereenvolgens moesten verwoorden en schilderen. Met deze intro kwamen we in de juiste stemming om vrije teksten te schrijven. We schreven individueel of in groep, spraken elkaars sterke punten aan, riepen de hulp in van een spellingsprogramma en een digitaal woordenboek en lazen korte stukjes voor.
Tijdens de middagpauze gingen we met onze Brusselse vrienden een kijkje nemen bij de middagsporters en speelden we samen met nog andere leerlingen van het lyceum een potje voetbal.
Na de middag werkten wij verder aan onze actuaronde of ons kinderboek en kregen de leerlingen uit Etterbeek de opdracht ons te interviewen. Nadien volgden een reflectiemoment, een stukje cake en een onvermijdelijk leuke groepsfoto.
De leerlingen uit Etterbeek vatten hun bezoek als volgt samen: freinetonderwijs is cool, leerlingen krijgen veel verantwoordelijkheid en inspraak, maar de leraar treedt op als coach en maakt duidelijke afspraken die moeten nageleefd worden.
Een geslaagde dag Wanneer ontmoeten we elkaar weer?
ASO
KSO
BSO
FREINET
Achtergrondinfo
Koetshuis
Impressies
Ka Lyceum - Caputsteenstraat 51 2800 Mechelen -T 015 20 21 74